Bibliotheek PDF EPUB

Classics in European Languages - Het Stoomhuis (geïllustreerd) - Jules Verne

Genieten Classics in European Languages - Het Stoomhuis (geïllustreerd) Jules Verne epub boeken gratis lezen

PRIJS: GRATIS
FORMAAT: PDF EPUB MOBI TXT FB2
DATUM: november 2015
DIMENSIE: 7,79
ISBN: 1230000781718
TAAL: Nederlands
SCHRIJVER: Jules Verne

Omschrijving:

'Eene belooning van duizend gulden aan hem, die dood of levend een der oude hoofden van den opstand der Sipayers uitlevert, gezien in het presidentschap van Bombay, den nabob [1] Dandou-Pant, meer bekend onder den naam van....'' Dit was de bekendmaking, die de inwoners van Aurungabad konden lezen in den avond van den 6n Maart 1867. De laatste naam,--door sommigen verfoeid en voor altijd vervloekt, door anderen in het geheim bewonderd,--ontbrak aan de afkondiging, die voor korten tijd was aangeplakt op den muur van een bouwvalligen bungalow, aan den oever der Doudhma. Die naam ontbrak, omdat de onderste hoek van het aanplakbiljet, waar hij in groote letters gedrukt stond, was afgescheurd door de hand van een fakir (Mohamedaanschen bedelmonnik), die dit op den toen verlaten oever onopgemerkt had kunnen doen. Tegelijk met dien naam was ook de naam verdwenen van den gouverneur-generaal van het presidentschap van Bombay, die met den onderkoning van Indië de afkondiging onderteekend had. Wat zou den fakir toch tot deze handeling bewogen hebben? Hoopte hij door het verscheuren van deze bekendmaking, dat de opstandeling van 1857 aan de algemeene vervolging en bestraffing van zijn persoon zou ontsnappen? Kon hij werkelijk gelooven, dat zulk een vreeselijke beroemdheid met de verscheurde stukjes van dat papier in het niet zou verdwijnen? Dat ware dwaasheid geweest, want andere aanplakbiljetten in menigte verspreid, prijkten overal op de muren der huizen, der paleizen, der moskeeën, der hotels van Aurungabad. Daarenboven liep een omroeper door de straten der stad en las met luider stemme het besluit van het gouvernement. De bewoners der geringste gehuchten in de provincie wisten reeds, dat een gansch fortuin was toegezegd aan hem, die dien Dandou-Pant in handen van het gerecht zou stellen. Zijn naam was nutteloos vernietigd en zou, voordat er twaalf uren verloopen waren, de rondte van het geheele presidentschap gemaakt hebben. Indien de inlichtingen juist waren, indien de nabob werkelijk een schuilplaats in dit gedeelte van Hindostan gezocht had, leed het geen twijfel of hij zou weldra in de handen vallen van hen, die er groot belang bij hadden hem te vangen. Welk gevoel had dien fakir dan toch wel bezield bij het verscheuren van een aanplakbiljet, waarvan reeds verscheidene duizenden exemplaren getrokken waren? Een gevoel van toorn zeker,--misschien ook had hij toegegeven aan een opwelling van minachting. Hoe het zij, na de schouders te hebben opgehaald, drong hij door tot het volkrijkste, maar armoedigst bewoonde kwartier der stad. Men noemt Dekan het uitgestrekte gedeelte van het Indische schiereiland, dat begrepen is tusschen de westelijke Ghatta (passen of gassen, straten) en de Ghatta van de golf van Bengalen. Dit is de naam, die gewoonlijk aan het zuidelijk gedeelte van Indië, aan de andere zijde van den Ganges, gegeven wordt. Dit Dekan, waarvan de naam in het Sanskriet 'Zuid'' beteekent, telt in de presidentschappen van Bombay en Madras, een zeker aantal provincies. Een van de voornaamste is de provincie van Aurungabad, welker hoofdstad eertijds die van geheel Dekan was. In de XVIIe eeuw bracht de beroemde Mongoolsche keizer Aureng-Zeb zijn hof in die stad over, welke in de vroegste tijden van de geschiedenis van Hindostan onder den naam van Kirkhi bekend was. Zij had toen eene bevolking van honderd duizend inwoners. Tegenwoordig bezit zij er slechts eene van vijftig duizend, onder de heerschappij der Engelschen, die haar besturen uit naam van den Nizam (een vorstentitel) van Hyderabad. Toch is het een der gezondste steden van het schiereiland, tot nog toe gespaard door de zoozeer gevreesde Aziatische cholera en die zelfs nooit bezocht was geweest door de in Indië zoo geduchte koortsen. Aurungabad heeft prachtige overblijfselen van haar vroegeren luister overgehouden. Het paleis van den grooten Mogol, aan den rechteroever van de Doudhma, het praalgraf van de begunstigde sultane van Shah Jahan, vader van Aureng-Zeb, de moskee, gebouwd volgens den sierlijken Tadje d'Agra, die zijn vier minarets rondom een bevallig geronden koepel ten hemel richt, nog andere monumenten, kunstig gebouwd, rijk versierd, getuigen van de macht en de grootheid van den beroemdsten overwinnaar van Hindostan, die dit koninkrijk, waarbij hij Kaboel en Assam voegde, tot een ongekenden trap van grootheid bracht. Alhoewel de bevolking van Aurungabad, zooals wij reeds zeiden, sterk verminderd was, kon toch een man te midden van de zoo verschillende typen, waaruit zij was samengesteld, zich nog gemakkelijk verborgen houden. De fakir, hij mocht dan waar of valsch zijn, onderscheidde zich in niets van die volksmassa. Het krioelt van zijne gelijken in Indië. Zij maken met de 'Sayeds'' (muzelmannen uit het geslacht van den profeet) een lichaam uit van de godsdienstige bedelaars, die te voet of te paard een aalmoes vragen en deze weten te eischen, als men haar niet goedschiks geeft. Zij versmaden ook de rol van vrijwillige martelaars niet en genieten in de lagere rangen van het Hindoesche volk een groot vertrouwen. De fakir, van wien hier sprake is, was een rijzig man van vijf Engelsche voeten negen duim. Indien hij ouder dan veertig was, bedroeg dit op zijn hoogst een paar jaar. Zijn gelaat herinnerde aan de schoone Mahratten-type, vooral door den glans zijner zwarte, levendige oogen; maar moeielijk zou men anders op dat door de kinderpokken vreeselijk geschonden gelaat de fijne trekken van zijn ras herkend hebben. De man was overigens in de kracht van zijn leven en vlug en sterk. Als kenmerkend teeken ontbrak hem een vinger aan de linkerhand. De haren rood geverfd, ging hij half naakt, barrevoets, een tulband op het hoofd, nauwlijks bedekt met een versleten, gestreept wollen hemd, om het middel toegehaald. Op zijn borst waren in levendige kleuren de zinnebeelden te zien van de twee behoudende en verwoestende beginselen der Hindoesche godenleer, de leeuwenkop van de vierde incarnatie (vleesch-mensch-wording) van Vishnoe, de drie oogen en de symbolische drietand van den woesten Çiva. Evenwel heerschte er in de straten van Aurungabad een licht te begrijpen drukte, meer bijzonder in die waarin de cosmopolitische bevolking der geringe wijken zich samendrong. Daar krioelde het buiten de armzalige stulpen, die haar tot woning strekten. Mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards, Europeanen of inboorlingen, soldaten der koninklijke of inlandsche regimenten, allerlei soorten van bedelaars, boeren uit den omtrek, ontmoetten elkander, praatten, gesticuleerden, behandelden de afkondiging en berekenden de kansen om de énorme som, door het gouvernement uitgeloofd, te winnen. De opgewondenheid der gemoederen zou niet grooter hebben kunnen zijn bij het rad eener loterij, waarvan de grootste prijs duizend gulden zou bedragen hebben. Men kan er zelfs nog bijvoegen, dat er ditmaal niemand was, die niet een goed briefje kon nemen: dit briefje namelijk was het hoofd van Dandou-Pant. Het is waar, dat men al zeer gelukkig moest zijn om den nabob te ontmoeten en daarenboven stoutmoedig genoeg om zich van hem meester te maken. De fakir,--blijkbaar de eenige, die niet door de hoop bezield werd de uitgeloofde belooning te winnen,--bewoog zich te midden der groepen, bleef tusschenbeiden eens staan om te hooren wat men zeide, als iemand, die er misschien zijn voordeel mede kon doen. Maar hij mengde zich niet in de gesprekken, die gevoerd werden en, mocht zijn mond al stom blijven, zijn oogen en ooren liet hij niet ongebruikt. 'Duizend gulden om den nabob op te sporen!'' riep er een uit, zijne kromme vingers ten hemel heffende. 'Niet om hem op te sporen,'' antwoordde een ander, 'maar om hem te vatten, dat een groot verschil maakt!'' 'Dat zal waar zijn, want 't is geen man om zich maar zoo weerloos te laten gevangen nemen.'' 'Maar vertelde men onlangs niet, dat hij in de jungles van Népaul aan de koorts gestorven was?'' 'Daar is niets van waar! De slimme Dandou-Pant heeft zich voor dood laten doorgaan, om met meer zekerheid in 't leven te kunnen blijven!'' 'Er had zelfs een gerucht geloopen, dat hij te midden van zijn kamp aan de grenzen begraven was!'' 'Valsche lijkdienst om iedereen om den tuin te leiden!'' De fakir had geen spier van zijn gelaat vertrokken, toen hij dit laatste feit hoorde bevestigen op een wijze, die geen den minsten twijfel overliet. Doch wel rimpelde zich onwillekeurig zijn voorhoofd, toen hij een van de luidruchtigste Hindoes van de groep, waarbij hij zich gevoegd had, de volgende bijzonderheden hoorde vermelden, bijzonderheden, die al te juist waren om niet waar te zijn. 'Dat is zeker,'' zeide de Hindoe, 'dat in 1859 de nabob met zijn broeder Balao Rao en den ex-rajah van Gonda, Debi-Bux-Singh de wijk genomen had in een kamp, aan den voet van een der bergen van Népaul. Toen de Engelsche troepen hen aldaar te dicht op de hielen zaten, besloten ze alle drie de Indisch-Chineesche grens te passeeren. Doch, alvorens deze over te gaan, hebben de nabob en zijn twee metgezellen, om het gerucht van hun dood des te beter ingang t

......